Vroegtijdige schoolverlaters: meer dan een onderwijsprobleem

Door Kris Van Dijck, Zuhal Demir op 17 september 2013, over deze onderwerpen: Inburgering, Kleuterschool en basisonderwijs, Nederlands leren, Secundair onderwijs

Achtentwintig procent van de Antwerpse jongeren verlaat de middelbare school zonder diploma, zo blijkt uit een studie van het Steunpunt Studie en schoolloopbanen. En ook in andere Vlaamse steden ligt het aandeel boven het Vlaamse gemiddelde - een maatschappelijke tijdbom die aan het tikken is en waarover we erg bezorgd zijn. Dit moet een alarmbel zijn voor alle politici.

Laat ons beginnen met het positieve nieuws. Bijna negen op de tien jongeren haalt een diploma of getuigschrift secundair onderwijs. In 2010 bedroeg het aandeel vroegtijdige schoolverlaters 11,1 procent - al is er hier, door de gehanteerde methodologie, allicht sprake van een kleine onderschatting. Gebruiken we de cijfers van Eurostat, waarin ook brede vormingsactiviteiten worden meegeteld, komen we zelfs uit op 9,6 procent. Dat is een topprestatie in internationale context. Een studie van de VDAB geeft bovendien aan dat negen op de tien Vlaamse schoolverlaters na een jaar aan het werk is. Dat is lang niet slecht.

Versnelling hoger

Nu het alarmerende nieuws. In de stad Antwerpen blijkt liefst 28 procent van de jongeren de school te verlaten zonder een diploma. En ook andere steden in Vlaanderen zitten meestal ruim boven het gemiddelde. Over welke groep gaat het dan precies? We weten dat de ongekwalificeerde uitstroom nog steeds hoger ligt bij jongens dan bij meisjes. Maar er is meer. Ook de thuissituatie speelt een grote rol. Enkele cijfers ter illustratie: 4,5 procent van de Nederlandstalige vrouwelijke schoolverlaters in 2010 met een hoogopgeleide moeder waren vroegtijdige schoolverlaters; voor de anderstalige jongens met een laag geschoolde moeder was dat 40,6 procent. Of nog: bij de Nederlandstaligen bedraagt het aandeel vroegtijdige schoolverlaters 9,6 procent; bij de anderstaligen gaat het over 30,3 procent, ruim het drievoud dus. Dat zijn alarmerende cijfers, en willen we vermijden dat deze schoolverlaters terechtkomen in een vicieuze cirkel van werkloosheid en kansarmoede, dan moeten we nu actie ondernemen. Dit maakt duidelijk dat we in Vlaanderen worstelen met de resultaten van een jarenlang falend federaal migratiebeleid. Met 14,3 procent actieve migratie (met het oog op studie of arbeid) scoort België aanzienlijk lager dan Nederland (39,3 procent), Duitsland (41,9 procent) en Frankrijk (41,9 procent). Het hoeft geen betoog dat de oververtegenwoordiging van passieve migratiekanalen een rechtstreeks effect heeft op de achterstandspositie van nieuwkomers (en hun kinderen en kleinkinderen). Dat bleek onlangs ook uit een OESO-rapport over de armoede, onderwijsuitval en werkloosheid bij migranten. Dit ontslaat ons in Vlaanderen echter niet van de verantwoordelijkheid om deze groep van nieuwkomers zo goed mogelijk op te nemen in onze samenleving.

Daarom heeft Geert Bourgeois (N-VA) in Vlaanderen het inburgerings- en integratiebeleid een versnelling hoger geschakeld door beide onlosmakelijk aan elkaar te koppelen. De kennis van de Nederlandse taal is een noodzakelijke voorwaarde voor een geslaagd inburgeringstraject in het algemeen en een succesvolle schoolloopbaan in het bijzonder. Daarom is het een goede zaak dat de Vlaamse regering, onder impuls van de N-VA, met de onderwijshervorming een hele reeks maatregelen heeft genomen om de kennis van het Nederlands op te krikken.

Taalscreenings aan het begin van het lager en het secundair onderwijs moeten eventuele taalproblemen en taalachterstand Nederlands in kaart brengen. In het basisonderwijs wordt het mogelijk om volwaardige taalbadklassen Nederlands in te richten, gaande van enkele weken tot maximaal één jaar voor leerlingen die dat echt nodig hebben. En wanneer blijkt dat de kennis van het Nederlands van leerlingen in het secundair onderwijs zelfs na intensieve begeleiding onvoldoende is om succesvol school te lopen, zullen scholen die leerlingen kunnen verplichten om buiten de normale lesuren gedurende drie uur per week hun Nederlands bij te schaven. Maar misschien moeten we nog een stap verder gaan. Professor Frank Vandenbroucke stelde onlangs dat investeren in jongeren veel meer rendeert dan overheidsuitgaven in de latere jaren. Wij volgen hem daarin volledig. Des te problematischer is het daarom dat uitgerekend de groep die het meeste baat heeft bij school, de schoolgang vaak nog uitstelt. Waarom vervroegen we de leerplicht niet? Op die manier werken we onnodige taal- en leerachterstanden weg, en creëren we gelijke startkansen voor elk kind.

Inspanningen

Willen we nieuwkomers en hun kinderen volwaardig integreren in onze samenleving, dan zijn talenkennis en een goede inburgering echter geen voldoende voorwaarde. Integratie gaat verder dan inburgeren alleen en verwacht zowel inspanningen van de nieuwkomers als van de ontvangende samenleving. In Vlaanderen worden heel wat kansen geboden aan nieuwkomers.

Het is aan de nieuwkomers om deze kansen ook te grijpen.

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is