Mijn column van vandaag is niet gebaseerd op veel opzoekingswerk. Je hebt zo van die dagen, niet in het minst ingegeven door een aantal persoonlijke gebeurtenissen, dat de fut er nog weinig inzit. Echter, breken met de traditie om op zondag iets te schrijven is dan weer een brug te ver. Zodus…
Op skiverlof in Oostenrijk kreeg ik telefoon van Karl Drabbe, founding father van uitgeverij Ertsberg, of ik niet naar het boekvoorstelling “Hugo Schiltz, politieke biografie”, geschreven door Eric Van de Casteele kwam. Ik had de uitnodiging wel ontvangen maar had me voor die avond, 4 maart al geëngageerd voor een Mercosur-debat aan de KULAK in Kortrijk. Ware het niet dat dat debat twee dagen vervroegd werd, lag de baan toch open om de boekvoorstelling in het provinciehuis in Antwerpen bij te wonen waar eerste minister Bart De Wever de inleiding zou geven.
Ik voelde me terug gekatapulteerd in de tijd. Het leek een Volksunie bijeenkomst, bijna 25 jaar na het ontbinden van die partij. Mijn partij. Naast oud-VU’ers Bart De Wever, Johan Sauwens, Bert en Jan Anciaux, Jan Peumans, Luk Lemmens, Annemie Van de Casteele, Bob Van Hooland, Lutgard De Beul, mijn eerste fractiesecretaris, Winfried Vangramberen en echtgenote Els Schiltz, nicht van, en een schare schoon ander volk: Mia Doornaert, Rik Van Cauwelaert, Paul Cordy, Jean-Pierre Rondas, het nieuw licht aan het firmament Quinten Jacobs en zovele anderen; een auditorium vol. Spoedig werd ons Diets gemaakt dat deze biografie slechts de derde is in literair Vlaanderen. Frans Van Cauwelaert en Hendrik Conscience gingen Hugo Schiltz voor.
Als kind herinner ik me nog levendig de debatten op tv de zondagochtend om elf uur. Na de hoogmis die ook nog uitgezonden werd: “Ieder zijn Waarheid”. De voorganger van het flauwe afkooksel nu: “De Zevende Dag”. Een flauw afkooksel, inderdaad, want het format van “Ieder zijn Waarheid” was van een andere koek. Politieke toppers zaten er aan één tafel en gingen een uur lang met elkaar in debat, gemodereerd door Jan Schodts. Geen oneliners of van te voren tot vervelens toe geleerde quotes, neen, een onversneden debat van een uur lang waarbij hij of zij die het dossier niet goed kende er onderdoor gingen. Het was de Egmontperiode en de commentaar van mijn vader bij deze debatten sprak ook boekdelen terwijl mijn moeder er een iets meer genuanceerde mening op nahield. Ja, politiek en Egmont, het was deel van mijn jeugd.
Het Egmontpact maakte samen met de Stuyvenbergakkoorden deel uit van het zogenaamde Gemeenschapspact, dat de definitieve pacificatie van de communautaire problemen tot doel had. Dat was althans de bedoeling van de nieuwe regering die in 1977 onder leiding van Leo Tindemans aan de macht kwam en die in het parlement over een tweederdemeerderheid beschikte, nodig om de federale staatshervorming door te voeren. Protagonisten voor ons waren daarbij zeker onze eigen Volksunie-voorzitter Hugo Schiltz en de “echte” vijand in de gedaante van Antoinette Spaak, voorzitter van het FDF. De Brussels francofone partij die niet beschaamd was om met affiches uit te pakken: “Brüssel Vlaams, jamais”, met Brussel op z’n Duits geschreven.
Het was in deze turbulente periode dat de Vlaamse beweging overduidelijk in twee kampen verdeeld geraakte. De pragmaticus en geniale politicus die Hugo was en als tweede voorzitter van de Volksunie, na stichter Frans Van der Elst, het politiek Vlaams nationalisme richting beleidsverantwoordelijkheid leidde had het verkorven bij de rechts, reactionaire krachten die ook in diezelfde Vlaamse beweging militeerden en hem wegzetten als verrader. De breuk bevond zich zelfs in onze woonkamer.
Hugo Schiltz werd na het debacle, want het pact werd nooit uitgevoerd, opgevolgd door Vic Anciaux en bleef heel zijn hele politiek leven een grote mijnheer. Een bruggenbouwer die contacten legde en vertrouwen wist op te bouwen bij andere partijen, bij de Walen. Hij kon speechen als geen ander en een ganse zaal meenemen in zijn verhaal waarbij zijn bril als een dirigeerstokje dienst deed en een van de beentjes steevast van oor naar mond verhuisde. Begeesterend en overtuigend deed hij een stemming naar zijn hand zetten. Iets wat ik zovele jaren later, zonder de truc met de bril, Bart De Wever zie doen.
Vele jaren later mocht ik Hugo persoonlijk leren kennen. Ik weet nog mijn eerste Volksunie partijbestuur in mei 2001. Paul Van Grembergen werd minister in vervanging van de in ongenade gevallen Johan Sauwens en moest vervangen worden in het partijbestuur waar hij zat als afgevaardigde van de fractie van het Vlaams Parlement. Ik was de vervanger. Het was mijn eerste partijbestuur en wat later bleek ook het laatste van de partij op zich.
Goed op tijd, als nieuwkomer, zat ik in de zaal, alleen, toen Hugo binnenkwam. “Wat doe jij hier?” klonk zijn Antwerps accent. “Ik ben nieuw in vervanging van Paul Van Grembergen.” Waarop hij laconiek antwoorde: “Het zal nodig zijn.” Een half uur later was het duidelijk wat hij bedoelde. Daar lag de Volksunie waarna drie groepen de strijd aangingen om de erfopvolging.
Hugo was heel boos en zwaar ontgoocheld in wie hij de doodgravers van de Volksunie noemde. “Jullie vernietigen MIJN partij”, hoor ik hem verslagen en woedend uithalen. Al weet ik uit zeer goede bron dat hij zich tegen het einde van zijn leven niet ver van de N-VA bevond. Ik was op zijn uitvaart in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen in het volle besef dat Vlaanderen afscheid nam van de grootste Vlaams nationalist die we tot dan toe gekend hadden. Een verrader? Integendeel! Ja, ik ga het boek verslinden en begin er zo dadelijk aan.
Wat de persoonlijke gebeurtenissen betreft. Plooien? Even. Breken? Nooit. When the going gets tough, the tough get going. Als het moeilijk wordt, laten de sterken zich zien. Fijne zondag beste lezer.
Kris van Dijck
Dessel, 8 maart 2026