Medailles

Door Kris Van Dijck op 15 augustus 2021, over deze onderwerpen: Blog

Elke zondag belicht ik een onderwerp dat me de voorbije week opviel…

Medailles

Vandaag is het moederdag. In dit deel van Vlaanderen toch. Maria-Tenhemelopneming is in de ruime omgeving van Antwerpen en haar hinterland de dag dat moeders letterlijk en figuurlijk in de bloemetjes gezet worden. Moeders vieren, het is terecht. Zeker als ik naar moeders en vrouwen kijk wereldwijd. Ik heb het in een vorige column ook al eens geschreven; wat John Lennon zong: woman is the nigger of the world. Ook in deze 21ste eeuw blijven vrouwen genitaal verminkt worden, verborgen en weggestoken. Als kind uitgehuwelijkt. Hun vrijheid ontnomen. Uitgebuit als werkkracht en seksslavin. Over kleur en etniciteit heen, heeft de vrouw nog lang niet de status van gelijkheid aan de man bekomen. En dat aanhalen of beter nog aanklagen, dreigt in deze woke-tijden dat je als aanklager het etiket van racist opgekleefd krijgt. Culturele en religieuze rechten boven vrouwenrechten; het gebeurt! Eigenlijk zouden we al die vrouwen elke dag van het jaar een gouden medaille moeten geven. En over medailles wou ik het vandaag ook hebben.

 

Nu het stof wat gaan liggen is na de grote sportmanifestaties die de voorbije twee maanden het nieuws domineerden, kunnen we het ook over die medailles hebben. Enkele onderbrekingen daar gelaten kan ik zeggen sinds 1995 het Vlaams sportbeleid van nabij te volgen. Luc Martens, Johan Sauwens, Bert Anciaux (tweemaal), Guy Vanhengel, Marino Keulen, Philippe Muyters en Ben Weyts. Zeven ministers van sport met wie ik kon debatteren en decreten maken. Vooral Philippe, die tien jaar de sportfakkel droeg, zette grote kenteringen in terwijl al deze ministers sporen verdienen en onder het bewind van Ben de sportmiddelen naar ongekende hoogten gegroeid zijn. Hoe kom ik er nu bij onmiddellijk de kaart van de Vlaamse overheid te trekken als ik het over de “Belgische” sportprestaties heb?

 

Olympiade na olympiade werd het bilan opgemaakt van de “Belgische medailleoogst”. Die is jaren slecht geweest. Te wijten aan het beleid? Waarschijnlijk wel ja, maar ook aan onze mentaliteit, als ik het zo mag zeggen. Wij hebben, of moet ik zeggen, hadden nu eenmaal geen topsportmentaliteit. Na elke olympiade moest de Vlaamse minister van Sport het ontgelden als de resultaten weer maar eens tegenvielen. Nu er een algemene tevredenheid is over de medailleoogst hoor ik de minister nergens vermeld. Het spreekwoord: “succes kent vele vaders, een mislukking blijft meestal wees”, geldt voorzeker in de sport… Of beter; als het slecht gaat is het de politiek, als het goed gaat… Je vult zelf maar in.

 

Telkenmale er sportief gepresteerd wordt, wordt de tricolore vlag bovengehaald. Zie eens hoe goed onze “Belgen” het doen. Naar de oorzaken, de basis van die resultaten, waarbij de natuurlijke talenten en de wils- en daadkracht van de atleten natuurlijk het belangrijkste zijn, wordt zelden gekeken. Zeker niet als er successen zijn. Dat zowel de Vlaamse Olympische topsportindex als de bicommunautaire (die van de gemeenschappen samen) het hoogste niveau ooit bereikt heeft, is niet vanzelf gekomen. Het is door de inspanningen van de Vlaamse gemeenschap dat er gepiekt wordt. In De Tijd konden we voor de spelen lezen: “De motor achter die Belgische olympische machine is Vlaanderen. Meer geld dan de rest, minder versnippering van centen én alleen potentiële wereldtoppers krijgen als atleet steun.”

 

Het staat in schril contrast met het artikel in Het Nieuwsblad van 2005 dat ik nog in mijn schuif heb liggen waarin MR-politicus Alain Courtois meende een lans te moeten breken om topsport opnieuw op federaal niveau te brengen. Ik citeer: ‘Momenteel zijn het de gemeenschappen die het sportbeleid uitstippelen, maar de magere resultaten van de Belgen op de laatste grote tornooien tonen volgens Courtois aan dat er iets schort. “Als dat zo verder gaat, stevenen we op een catastrofe af. Het gaat wel over het imago van ons land. Daarom moet de federale overheid iemand aanstellen die het topsportbeleid en professioneel sportbeleid coördineert, een regeringscommissaris voor de sport. … De gemeenschappen blijven wel hun rol behouden. Zij zijn verantwoordelijk voor de amateurs, de jeugd en de begeleiding.”’ Ondertussen mogen we mijnheer Courtois geruststellen: het is zo niet verder gegaan. Integendeel!

 

In 1995 kreeg het Vlaams sportbeleid vorm dankzij BLOSO en was het de gedreven, maar ook erg politiek gekleurde, Carla Galle die het roer in handen had. Het Vlaamse sportveld was erg versnipperd met tal van sportfederaties die dezelfde sporttakken aanboden. Zo kende bijvoorbeeld de turnwereld sportfederaties die een politieke/religieuze inslag hadden: de katholieke, de socialistische, de liberale. Alsof de kleur van je overtuiging een invloed heeft hoe je acteert aan de ongelijke leggers… Vlaanderen zou schoon schip maken; een sporttakkenlijst vastleggen en één federatie per sporttak erkennen én subsidiëren. Die sportfederaties werden kwaliteitseisen opgelegd naar omkadering en ondersteuning van clubs en atleten. Het moet gezegd; vele federaties gingen aan de slag en sloegen de hand aan de ploeg. Een verfrissende en vernieuwende noodzakelijke weg werd ingeslagen.

 

Er werd Vlaanderenbreed aan talentdetectie gedaan. En jongeren die er boven uit staken konden terecht in zes topsportscholen waarbij onderricht en opleiding hand in hand kon gaan met de sportieve vervolmaking door gespecialiseerde trainers aangesteld door de federaties. Vanaf de eerste graad in het secundair onderwijs 6 à 8 uur training of LO aangepast aan de desbetreffende sport. Deze lijn werd doorgetrokken naar de universiteiten.

Er werd in infrastructuur geïnvesteerd. Overal in Vlaanderen werden sporthallen, gymzalen, atletiekpistes, kunstgrasvelden en zwembaden aangelegd. Lokale besturen deden enorme inspanningen en Vlaanderen concentreerde zich op de bovenlokale topsportinfrastructuur.

 

Het was een lange intense weg waarbij allerlei vormen van versnippering weggewerkt werden, krachten gebundeld werden en de zaden van een topsportmentaliteit in onze Vlaamse samenleving gezaaid werden. Wat dat laatste betreft, resulteerde dat in een algemene mentaliteitswijziging waarbij de Vlaming massaal aan het sporten ging. Dat massale sporten is niet alleen goed voor een algemene gezondheids- en welzijnsverbetering. Een brede basis is opnieuw belangrijk om nieuw talent te ontdekken. Een vicieuze cirkel die leidt naar algemene verbeteringen en resultaten.

 

Met rechtstreeks dan wel bicommunautair (ploegsporten met Vlamingen en Franstaligen) zes Vlaamse medailles op de spelen in Tokio betekent dat één medaille per 1 miljoen Vlamingen. Ja, er zijn landen die het beter doen. Maar we zijn goed op weg en met een beetje optimisme, want in Tokio ook 7 vierde (de meest ongelukkige, net naast het podium), 4 vijfde, 3 zesde, 3 zevende en 2 achtste plaatsen, is er heel wat groeimarge. Ik kijk uit naar de evaluatie en bespreking in de Commissie Sport van het Vlaams Parlement. Minister Weyts heeft niet alleen mooie papieren om het debat aan te zwengelen. Hij zal van ons ook de steun krijgen om op de ingeslagen weg verder te gaan; met Parijs 2024 in het verschiet.

Kris van Dijck

Dessel, 15 augustus 2021

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is